Centraal probleem

Het centrale probleem van deze eeuw is niet liberalisme of modernisme, noch het oude Rooms Katholicisme of het nieuwe Rooms Katholicisme, noch de dreiging van het communisme, en zelfs niet de dreiging van het rationalisme en de monolithische (d.w.z. in hoge mate) consensus die ons omringt. Dit alles is gevaarlijk, maar het is niet de belangrijkste dreiging. Het werkelijke probleem is dit: de kerk van de Heer Jezus Christus die, individueel of corporatief, ertoe neigt om Gods werk eerder uit te voeren in de kracht van het vlees dan van de Geest. Het centrale probleem ligt altijd te midden van het volk van God, niet in de omstandigheden die hen omringen.
___

De werkelijke strijd die christenen hebben, wordt niet slechts gestreden tegen krachten in deze wereld, hetzij theologisch, cultureel of moreel. De werkelijke strijd is in de hemelse gewesten. [Efeze 6:10-18] (...) Als christenen in deze strijd een gevecht winnen door wereldse middelen te gebruiken, hebben ze in werkelijkheid verloren. Daar tegenover staat dat, wanneer we een gevecht lijken te verliezen terwijl we wachten op God, we in werkelijkheid gewonnen hebben. De wereld kan zich vergissen en zeggen: 'Ze hebben verloren.' Maar als Gods volk lijkt verslagen te zijn in een specifieke strijd, niet vanwege zonde, gebrek aan toewijding, gebrek aan gebed, of gebrek aan opoffering, maar omdat ze hebben gewacht op God en weigerden de toevlucht te nemen tot het vlees, dan hebben ze gewonnen.

Francis A. Schaeffer, “The Lord’s Work in the Lord’s Way,” in No Little People, pag. 66,70-71, cursivering door mij.

Die cursivering heb ik heel doelbewust toegevoegd. De problemen die Schaeffer noemt zijn vooral van de vorige eeuw, maar de concluderende opmerking aan het eind maakt dit stukje actueel voor elke tijd.

Je kunt de hele preek hier lezen. Aanbevolen!

[Zoveel mogelijk wil ik voortaan buitenlandse citaten op mijn weblog vertalen. Het is tenslotte een Nederlands weblog.]

Onder de genade

De zonde zal over u niet heersen. U bent namelijk niet onder de wet, maar onder de genade. (Romeinen 6:14)

Een verbluffende uitspraak.

Dat zeg ik met het oog op het tweede gedeelte van deze tekst. Maar terwijl ik het opschrijf, besef ik dat ook het eerste gedeelte verbluffend is. Als wij de macht en de kracht van de zonde in ons leven hebben gevoeld, lijkt deze uitspraak daar dwars tegenin te druisen. Heerlijk dat dit dan niet zomaar een oneliner van Paulus is, maar Gods Woord dat met kracht daar tegenin druist!

Maar het tweede gedeelte dus. Is het niet verbluffend dat waar velen denken dat de genade ervoor zorgt dat een mens de vrijheid krijgt om te zondigen - het wordt immers toch wel vergeven - Gods Woord juist zegt dat de genade de reden is waarom we ons niet langer aan de zonde hoeven over te geven?
Het is zo waar. De wet geeft heel duidelijk grenzen aan, maar boven alles overtuigt ze ons van de zondigheid van onze daden, van ons bestaan. De wet geeft ons een keiharde analyse van wie we zijn. En als dat alles was waar we het mee moesten doen, zouden we al snel in moedeloosheid verzanden (afgezien van hen die niet eerlijk genoeg naar zichzelf kijken en op het positieve in zich blijven hopen). We zouden vastlopen. Want gisteren, vorige week, drie maanden geleden en een heleboel voorgaande jaren ging het ook al niet goed. Waarom zou het vanaf nu dan wel goed gaan?
Omdat er genade is! De genade maakt ons vrij om God te dienen. Vrij van ons verleden. Vrij van onze zonden. In zijn genade wist God onze zonden uit. Er is niets meer van over. Wanneer we omkijken om onszelf ervan te overtuigen dat het toch nooit wat wordt, zien we opeens alleen Jezus daar. Als we vervolgens verward vooruit kijken, de onbekende toekomst in, de toekomst waarvan we niet weten hoe het verder zal gaan, zien we ook daar Jezus. Zijn genade is voor elk moment genoeg. Weg is de hopeloosheid. Weg is de zonde. Er is alleen genade, die elke morgen nieuw is. Als we daaruit leven kunnen we ons vol vertrouwen, steeds weer opnieuw, ter beschikking stellen aan God.

Palindroomdag

Een bijzondere dag is zonet van ons heengegaan. En weinigen zijn het die het beseft hebben. Het was 01-02-2010, een combinatie van cijfers die als je ze omdraait precies hetzelfde laten zien. Dat noemen we een palindroom. En dus noemen we die dag dan ook maar palindroomdag.

Iets dergelijks gebeurt hoogstens één keer per jaar. Er zijn eeuwen voorbij gegaan dat er nooit een palindroomdag was. We zijn een bevoorrechtte generatie, dat we nu verschillende jaren na elkaar dit verschijnsel mogen meemaken.
En neem nu mijn nichtje, zij was wel heel bijzonder bevoorrecht, want ze was jarig op deze bijzondere dag. Ook voor mij is het wellicht nog eens weggelegd om op een palindroomdag jarig te worden. Maar ik zal nog dertig jaar moeten wachten. Ik zal mijn best doen om het in die jaren niet te vergeten. Het zou wel heel ondankbaar zijn om zoiets moois zonder erbij stil te staan voorbij te laten gaan. Er zijn tenslotte heel wat mensen die niet zo gelukkig zijn. Neem nu mijn moeder. Ze zou enkele duizenden jaren oud moeten worden om het mee te maken.

Maar goed, palindromen. Ongeveer een maand geleden kwam ik erachter wat het precies inhield. Toen was het namelijk in Amerika, waar ze de datum jjjj-mm-dd schrijven, palindroomdag. (Zie dit bericht, met daarin een verwijzing naar een liedje vol palindromen) En eigenlijk moet ik er eerder ook weleens van gehoord hebben. Vanaf toen ging ik er in ieder geval eens over nadenken. En het zelf proberen...

Zelf een palindroom vormen is nog niet makkelijk. Je hebt zo de standaard woorden: lepel, kok, pap, negen, parterretrap, etc. Maar als we zinnetjes willen gaan maken, wordt het lastiger. Je kunt wat woorden tegenover elkaar zetten: 'neger - regen', 'als - sla'. Eenvoudige zinnetjes waarin je de lettergrepen van voor naar achter ook hetzelfde laat, zijn bijvoorbeeld: 'Een lepel?' 'Nee!'; 'Mok?' 'Nee, een kom'; 'Krek 'n kerk'. Een heel klein beetje complexer zijn uitspraken als 'gaar graag'; 'ik ski'; 'kip, kip, ik pik'; 'u?' 'o ja na jou.' of - met een wat Donald Duck-achtige uitroep - 'Raah! Nee, geen haar!'
Niet heel bevredigend. Het verste kwam ik nog met 'kook als kok slak ook'. Jammer dat het geen echt goed lopende zin is. Tegen een kip zou je nog kunnen zeggen: 'Pik eens ene snee, kip!'

Ach, genoeg gepalindroomd. Er zijn blijkbaar toch al boeken vol mee geschreven. Het wordt tijd om te dromen. In mijn bedje wel te verstaan.

Eternally Yours

I know this life I lead will pass away
along with every other earthly thing
So I will set my heart on a higher plain
where my treasure lies with You

And in this marriage of our hearts
there is no 'death do us part'
for You are eternal
and I am eternally Yours

And I could never lose Your love to sickness
Oh I could never lose You to divorce
And there's no concept of abandonment
for I am safe within Your arms

And in this marriage of our hearts
there is no 'death do us part'
for You are eternal
and I am eternally Yours

I am eternally Yours

Artists: Sanctus Real
Album: We need each other

Zelf heb ik steeds de neiging om 'eternally loved' te zingen.

Dat is ook waar.

Of wij dan leven of sterven, wij zijn van de Heere.
(Romeinen 14:8b)
Jezus zei: 'Zoals de Vader Mij liefgehad heeft, heb ook Ik u liefgehad' (Johannes 15:9)

The Divine Obsession

Place me like a seal over your heart, like a seal on your arm;
For love is as strong as death, its jealousy unyielding as the grave.
It burns like a blazing fire, like a mighty flame.
Many waters cannot quench love; rivers cannot wash it away.
If one were to give all the wealth of his house for love,
It would be utterly scorned.

Song of Songs 8:6-7 NIV

Rich Mullins

  It is said that Solomon was the wisest man who ever lived, and it is often guessed that he wrote those lines - not that it would take a great genius to come up with them, but, given our 20th century fears and insecurities about love, all of our ridiculous attempts to achieve and/or sustain it, it is a wise person who knows the beauty, the power, and the value of a thing that cannot be bought and cannot be extinguished. These few, simple lines outweigh the volumes of magazines, manuals and marital aids that tell us that love is weak, fickle and manipulable, that tell us that love is something we generate, something that looks very much like us. We are weak, fickle and manipulable - love is not. Love is something God generates - it looks very much like Him. 
   But what does God look like?
   Back in the 70's when it became "cool" for Christians to read and write books about sex, I read (of course) several such books. One of those books dismissed the medieval notion that Song of Songs was allegorical. It suggested that since Thomas Aquinas and Bernard of Clairveau, etc., were not "cool" enough to have been living in the 1970's and since they were celibates (and certainly celibacy is uncool and unsexy), they were naturally too hung up to see that Song of Songs was obviously merely an erotic poem. Now that sex was okay for Christians, we could finally admit that inflamed love, impassioned love, "erotic love" was the subject of Solomon's wonderful work. Godly love, "agape love" was okay too - but it was stable, rational, intellectual and obligatory.
   But now I wonder...
   Could it be that God "feels"? Could God be capable of passion? Could God be excited or must He be austere? Are we comfortable with the image of God as Father and nervous about God as Lover (some of us even prefer God as Parent - less a personality, more an ideal). Are we happy to have God be the Creator, but scared to think of him as being Creative? Do we like God being an engineer, but balk at his being an artist? Does his being a logician comfort us, but His being a poet threaten us? Do we enjoy the glow of God's light but shade ourselves from the heat of his flames? Does the idea that Jesus tolerated the sinful woman's anointing of His feet and John resting his head on Jesus' breast make us squirm, so the thought that Jesus enjoyed this makes us sick? How is it that we can accept that Moses saw a bush that burned and was not consumed, yet we doubt that God can love in a rage and never cool? 
   Could it be time to reread the Song of Songs, to rethink our images of God, to experience again the love of God? I think it must be. I hope it's not too late.

Rich Mullins
Release Magazine September/October 1995

Boeiend zicht op het Hooglied. Allegorische lezing van het boek ontstond, omdat men niet goed raad wist met de vurige bewoordingen. Letterlijke lezing omdat men er op die manier een stuk beter raad mee wist. Maar de weg daar tussenin is toch wel de moeilijkste. Peasant Princess

Mocht je toch geïnteresseerd zijn in een letterlijke uitleg van het Hooglied, dan kan ik je de serie preken van Mark Driscoll aanbevelen (klik op afbeelding).

Make thee hate thy sins

If the Lord has restored thy soul, dear reader, remember why he has done it — to make thee hate thy sins. He hates them, and he will make thee to hate them too. And this he does by pardoning them, by sprinkling the atoning blood upon the conscience, and by restoring unto you the joys of his salvation. And never is sin so sincerely hated, never is it so deeply deplored, so bitterly mourned over, and so utterly forsaken, as when he speaks to the heart and says, ‘Thy sins are forgiven thee, go in peace.’

Auteur: Octavius Winslow
Uit:
Personal Declension and Revival of Religion in the Soul

Avond- en morgenlied

Soms ontdek je gedichten of liedjes die woorden geven aan jouw gevoelens. 'Half our lives' van Sanctus Real is er zo één.

We can't go to sleep
cause we'll wake up older
We can't let these nights
steal away half our lives

En als je dan uiteindelijk toch maar naar bed bent gegaan. Geeft 's morgens Jars of Clay mij in deze wintermaanden de woorden in de mond met 'Hibernation day'.

I don't want to get out of bed
You don't want to go out in the snow
We don't have to do the things Eskimos do
Let's have a hibernation day, me and you

(...)

I’ll take a day dressed in pyjamas
in a room without a view
if I can spend the day
curled up next to you

In dit geval moet je bij 'you' dan maar denken aan één van mijn pinguins in pluche.

Maar ach, het mag weinig baten. Als ik het liedje werkelijk ga zingen, wordt ik er alleen maar wakker van. En dat is toch ook wel nodig. Deze week heb ik mijn laatste tentamen van deze periode. Nog even ertegenaan. Dus gewoon maar elke morgen moed verzamelen en er eenvoudigweg uitspringen, zonder aan dit liedje te denken. Ik verdring het gewoon.

Uns von Gott lieben zu lassen

Ist dir schon aufgefallen, daß Kinder – wenigstens in ihren jungen Jahren – hauptsächlich damit beschäftigt sind, sich von ihren Eltern lieben zu lassen? Das Wichtigste, womit du und ich während unserer kurzen Wanderschaft auf dieser Erde beschäftigt sein sollen, ist, uns von Gott lieben zu lassen, ihn seine unfaßbare Liebe über uns ausgießen zu lassen, ihn wirklich seine Fürsorge uns angedeihen zu lassen als seine hilflosen Kinder.
Nichts kann uns glücklicher machen, als die Liebe Gottes zu erleben. Sie füllt unsere Seelen mit einer stillen, friedvollen Freude, die allen verstand übersteigt und darum auch unbeschreiblich ist.
Ferner macht sie uns stark, denn »die Freude am Herrn ist eure Stärke«. Tatsächlich, Versuchungen bestürmen vergeblich das Herz dessen, der weiß, daß er um Christi willen von Gott geliebt ist. Sünde wirkt am abstoßendsten, wenn das Licht der Liebe Gottes darauf fällt. Darum gibt es keine reichere Quelle der Heiligung als diese Liebe.

Auteur: Ole Hallesby
Uit: Unsere Kraft wächst aus der Stille


Gastheer

J.C. Ryle, in zijn commentaar op Lukas 7:36-50, stelt zich de situatie voor zoals die geweest is. Hij ziet de blikken van de mensen en stelt de vraag:

Would the Pharisee know why this woman showed so much love?  It was because she felt much forgiven.  Would he know why he himself had shown his guest so little love?  It was because he felt under no obligation, had no consciousness of having obtained forgiveness, had no sense of debt to Christ...

Stel het je toch eens voor, dat Jezus zelf bij je te gast is! Als je dan inderdaad enigszins besef hebt van de genade die je door Hem gekregen hebt. Hoe zou je jezelf dan gedragen. Ik probeerde me dat wat voor te stellen...

Net toen ik mijn boek dichtsloeg - ik had het einde van een hoofdstuk bereikt, het was tijd voor ontspanning - hoorde ik achter mij een geluid en werd mijn naam genoemd. Ik draaide mij om en was verbaasd. De Man die in de deuropening stond herkende ik meteen. Zijn blik vol liefde was warm. Zijn gezicht lichtte stralend op en trok mijn aandacht meer dan het zonlicht dat buiten scheen. Ik stond op, wist geen woord uit te brengen. Hij wachtte geduldig. Wat moest ik zeggen? Wat moest ik Hem aanbieden? Zijn blik die op mij rustte herinnerde mij aan zijn genade. Alles wat ik wilde zeggen leek nergens op naast de diepte van hoe Hij dienstknecht was geworden. 'Gaat U zitten' zou zo kaal klinken voor deze Koning van het heelal. 'Wilt u wat drinken' voor Hem die eens voor mij ondragelijke dorst had geleden. Hoe kan een mens gastheer zijn van Hem die de Redder is van deze wereld? Ik stond daar nog steeds. Zei toen toch maar: 'Gaat U zitten.' Hoe vreemd het ook klonk. Toen ging ik aan zijn voeten zitten, en vroeg: 'Wilt U de gastheer zijn?'

[Voor de duidelijkheid: het gaat hier niet om een verschijning in heerlijkheid zoals bij Jesaja of Johannes]

Een jongetje en zijn boek

Een verhaaltje voor het slapengaan.
Opgedragen aan al mijn lieve neefjes en nichtjes.

Er was eens een jongetje dat in het bezit was van een groot, dik boek. Hij was er erg blij mee, want het was een mooi boek. Aangezien het zijn enige bezit was, had hij het daar erg mee getroffen. Stel je voor dat je enige bezit een lelijk boek is! Het jongetje heette Roculus en hij woonde in een groot bos. Daar stapte hij elke dag rond met zijn boek. Eigenlijk was Roculus een beetje een dom en lui jongetje. Hij deed namelijk niets anders dan de hele dag rondjes lopen en met de vogeltjes praten. Hij nam zelfs niet de moeite om zijn boek te lezen. Soms dacht hij er weleens aan, maar zodra hij de enorme dikte van het boekwerk zag, zakte hem de moed al weer in de grond (want schoenen had hij niet), en liep hij maar snel fluitend verder. Zodoende bleef Roculus dom en ontwikkelde hij totaal geen doorzettingsvermogen. En dat terwijl het boek hem zoveel goeds had kunnen doen.

Op een dag echter bleek het boek ook veel kwaads te kunnen bewerkstelligen, want het trok de aandacht van een slechte man. Deze man verstopte zich in de struiken en besprong Roculus op een moment dat deze even niet oplette. Hij richtte zijn imposante gestalte in vol ornaat op en liet Roculus even onder de indruk komen van het verschil in postuur tussen hun beiden. Roculus klemde angstig het boek stevig vast, omdat hij niets anders had om zich aan vast te houden. Hij hoorde hoe de man met boze bewoordingen tegen hem uitvoer. Na ongeveer vijf minuten greep de man Roculus bij zijn lurven en plaatste hem onder een dikke eik. Daar zei hij tegen hem: ‘Zo jongetje, hier ga jij vandaag heel de dag zitten om dat boek van je te lezen. Als je het niet voor zonsondergang uit hebt, stop ik je in een kooi en zul je voor altijd mijn huisdier zijn!’ Roculus sidderde onder dit dreigement en verloor bovendien zijn moed toen hij naar zijn boek keek. Zijn situatie was tot op het allerwanhopigste geraakt. Ten eerste was hij te dom om dit boek voor zonsondergang uit te lezen. Ten tweede miste hij het doorzettingsvermogen om zoiets toch te doen. Ten derde miste hij nu ook de moed der wanhoop om het alsnog te presteren. Wat restte hem dan nog?

Slechts zijn domme kracht. Roculus had inmiddels al enkele jaren met zijn boek rondgesjouwd. In het begin kon hij het niet eens optillen, maar na enige tijd oefenen kon hij het dragen ervan al een minuut lang volhouden. Inmiddels was hij zover, dat hij het boek zonder moeite een dag lang op één arm kon dragen. Roculus was reuze sterk geworden. Deze kwaliteit was hem nu echter niet van veel nut. Zijn toestand drukte hem tezeer neer. Zijn spieren waren slap van moedeloosheid en angst. Er was meer nodig om een dom, initiatiefarm en lui jongetje uit de ellende te helpen.

Dat meerdere wat Roculus nodig had, kwam de hele dag niet opdagen. Toen de zon verdwenen was, verscheen de slechte man. Hij zag in één oogopslag dat Roculus niet aan de opdracht voldaan had en greep hem bij zijn nek om vervolgens met grote passen op stap te gaan. Roculus bungelde een paar uur in de lucht, tot ze bij een kleine heuvel kwamen. Boven op die heuvel stond een stevige kooi, waar de man Roculus in wierp. Zo was hij een huisdier geworden. Redelijk goed verzorgd. Elke dag mocht hij een poosje naar buiten.

Op een dag, niet eens zoveel later, toen de slechte man ver weg gegaan was, kwam er een mooi meisje op een witte pony langs. Ze keek verwonderd naar de kooi en nog verwonderder naar het bange jongetje in de kooi. Roculus keek op en zag een paar helblauwe ogen. Ze riepen iets, dat wel een winterslaap leek gehouden te hebben, in hem wakker. Opeens voelde hij zich alsof hij de hele wereld aankon. Hij keek niet langer bang en verdrietig. Hij keek woest. Plotseling sprong hij op vanuit zijn lusteloze houding. Brullend rende hij tegen zijn tralies aan. Al zijn kracht balde hij samen om die gehate gevangenis kapot te breken. En dat gelukte hem. Natuurlijk gelukte hem dat. Het was zo eenvoudig. Hij was weer vrij.

Hijgend schudde hij de brokstukken die op zijn rug gevallen waren van zich af en liep op het meisje af. ‘Mijn naam is Roculus’ zei hij, ‘en wie ben jij?’ ‘Ik ben de dochter van de koning van dit land’ zei ze. Roculus zei even niets en keek nog eens verwonderd in haar blauwe ogen. Toen viel hij op zijn linkerknie voor haar neer. ‘Wil je later met me trouwen?’ vroeg hij. ‘Nee,’ zei ze, ‘ik trouw niet met domme jongetjes, al zijn ze nog zo sterk. Snap je niet dat zoiets eenvoudigweg onmogelijk is? Jij had in dit verhaal op een wit paard moeten rijden. Je hebt je taak echter verzuimd. Je mag blij wezen dat ik je nog in zoverre gespaard heb, dat ik op een pony ben gekomen.’ ‘O’ zei Roculus. Hij keek sip naar de grond. De prinses verdween weer. Toen is hij zijn boek maar op gaan zoeken. 

Geloofsbelijdenis

  • 1 Korinthe 8:6
    Voor ons is er één God: de Vader, uit Wie alle dingen zijn - en Wij zijn er voor Hem - en één Heere: Jezus Christus, door Wie alle dingen zijn en wij door Hem.

Laatste reacties

  • Janneke Sooow... jij bent gewoon nog
  • Bert Goedzo! We moeten nog heel v
  • Miep Wauw, wat heerlijk. Heerlijk
  • TV Ik heb inmiddels al een aant
  • Bert Wat een diepgang!
Mijn foto

Evangelie

  • 1 Timotheüs 1:15 -
    Dit is een betrouwbaar woord en alle aanneming waard, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om zondaren zalig te maken, van wie ik de voornaamste ben.

Onuitsprekelijk

  • 1 Petrus 1:8,9
    Jezus Christus - Hém hebt u lief zonder Hem gezien te hebben. In Hem verheugt u zich nu met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde, zonder Hem te zien, maar door te geloven, en verkrijgt u het einddoel van uw geloof, namelijk de zaligheid van uw ziel.

Inloggen web-log

  • Naam:
    Ww: