Een verhaaltje voor het slapengaan.
Opgedragen aan al mijn lieve neefjes en nichtjes.
Er was eens een jongetje dat in het bezit was van een groot,
dik boek. Hij was er erg blij mee, want het was een mooi boek. Aangezien het
zijn enige bezit was, had hij het daar erg mee getroffen. Stel je voor dat je
enige bezit een lelijk boek is! Het jongetje heette Roculus en hij woonde in
een groot bos. Daar stapte hij elke dag rond met zijn boek. Eigenlijk was
Roculus een beetje een dom en lui jongetje. Hij deed namelijk niets anders dan
de hele dag rondjes lopen en met de vogeltjes praten. Hij nam zelfs niet de
moeite om zijn boek te lezen. Soms dacht hij er weleens aan, maar zodra hij de
enorme dikte van het boekwerk zag, zakte hem de moed al weer in de grond (want
schoenen had hij niet), en liep hij maar snel fluitend verder. Zodoende bleef
Roculus dom en ontwikkelde hij totaal geen doorzettingsvermogen. En dat terwijl
het boek hem zoveel goeds had kunnen doen.
Op een dag echter bleek het boek ook veel kwaads te kunnen bewerkstelligen,
want het trok de aandacht van een slechte man. Deze man verstopte zich in de
struiken en besprong Roculus op een moment dat deze even niet oplette. Hij
richtte zijn imposante gestalte in vol ornaat op en liet Roculus even onder de
indruk komen van het verschil in postuur tussen hun beiden. Roculus klemde
angstig het boek stevig vast, omdat hij niets anders had om zich aan vast te
houden. Hij hoorde hoe de man met boze bewoordingen tegen hem uitvoer. Na
ongeveer vijf minuten greep de man Roculus bij zijn lurven en plaatste hem
onder een dikke eik. Daar zei hij tegen hem: ‘Zo jongetje, hier ga jij vandaag
heel de dag zitten om dat boek van je te lezen. Als je het niet voor
zonsondergang uit hebt, stop ik je in een kooi en zul je voor altijd mijn
huisdier zijn!’ Roculus sidderde onder dit dreigement en verloor bovendien zijn
moed toen hij naar zijn boek keek. Zijn situatie was tot op het
allerwanhopigste geraakt. Ten eerste was hij te dom om dit boek voor
zonsondergang uit te lezen. Ten tweede miste hij het doorzettingsvermogen om
zoiets toch te doen. Ten derde miste hij nu ook de moed der wanhoop om het
alsnog te presteren. Wat restte hem dan nog?
Slechts zijn domme kracht. Roculus had inmiddels al enkele
jaren met zijn boek rondgesjouwd. In het begin kon hij het niet eens optillen,
maar na enige tijd oefenen kon hij het dragen ervan al een minuut lang
volhouden. Inmiddels was hij zover, dat hij het boek zonder moeite een dag lang
op één arm kon dragen. Roculus was reuze sterk geworden. Deze kwaliteit was hem
nu echter niet van veel nut. Zijn toestand drukte hem tezeer neer. Zijn spieren
waren slap van moedeloosheid en angst. Er was meer nodig om een dom,
initiatiefarm en lui jongetje uit de ellende te helpen.
Dat meerdere wat Roculus nodig had, kwam de hele dag niet
opdagen. Toen de zon verdwenen was, verscheen de slechte man. Hij zag in één
oogopslag dat Roculus niet aan de opdracht voldaan had en greep hem bij zijn
nek om vervolgens met grote passen op stap te gaan. Roculus bungelde een paar
uur in de lucht, tot ze bij een kleine heuvel kwamen. Boven op die heuvel stond
een stevige kooi, waar de man Roculus in wierp. Zo was hij een huisdier
geworden. Redelijk goed verzorgd. Elke dag mocht hij een poosje naar buiten.
Op een dag, niet eens zoveel later, toen de slechte man ver
weg gegaan was, kwam er een mooi meisje op een witte pony langs. Ze keek
verwonderd naar de kooi en nog verwonderder naar het bange jongetje in de kooi.
Roculus keek op en zag een paar helblauwe ogen. Ze riepen iets, dat wel een
winterslaap leek gehouden te hebben, in hem wakker. Opeens voelde hij zich
alsof hij de hele wereld aankon. Hij keek niet langer bang en verdrietig. Hij
keek woest. Plotseling sprong hij op vanuit zijn lusteloze houding. Brullend
rende hij tegen zijn tralies aan. Al zijn kracht balde hij samen om die gehate
gevangenis kapot te breken. En dat gelukte hem. Natuurlijk gelukte hem dat. Het
was zo eenvoudig. Hij was weer vrij.
Hijgend schudde hij de brokstukken die op zijn rug gevallen
waren van zich af en liep op het meisje af. ‘Mijn naam is Roculus’ zei hij, ‘en
wie ben jij?’ ‘Ik ben de dochter van de koning van dit land’ zei ze. Roculus
zei even niets en keek nog eens verwonderd in haar blauwe ogen. Toen viel hij
op zijn linkerknie voor haar neer. ‘Wil je later met me trouwen?’ vroeg hij.
‘Nee,’ zei ze, ‘ik trouw niet met domme jongetjes, al zijn ze nog zo sterk.
Snap je niet dat zoiets eenvoudigweg onmogelijk is? Jij had in dit verhaal op
een wit paard moeten rijden. Je hebt je taak echter verzuimd. Je mag blij wezen
dat ik je nog in zoverre gespaard heb, dat ik op een pony ben gekomen.’ ‘O’ zei
Roculus. Hij keek sip naar de grond. De prinses verdween weer. Toen is hij zijn
boek maar op gaan zoeken.
Laatste reacties